Waar mensen zijn, wordt gebeden. In tempels, synagoges, kerken, moskeeën. Alleen, samen, thuis, onderweg. In donkere en lichte dagen, bij vreugde en verdriet, aan graven en bij geboortes. Biddend verbinden wij ons met de Ander die zich van den beginne af aan als een intiem geheim bij ons voegt. Het gebed spreekt tot die Ander, die er was voor jouw ik en zal zijn tot daarna. De stem van de Ander maakt ons tot mens, het enige dier dat bidt. Bidden is geen ritueel dat is voorbehouden aan een godsdienst of religie. Het is het antwoord op het geheim van leven, op de erkenning van onze afhankelijkheid, op het diepe weten dat hoort bij het eigene van mens-zijn.

Nooit zullen we weten wie het geheim, het adres van onze gebeden is. Hoe oud de Naam ook is tot wie we ons richten het blijft een raadselwoord dat ons verlangen, onze ontroering, onze vrees en hoop nooit helemaal vangen kan. Het gebed is gegeven met dat raadsel. De Ander moet ons vreemd zijn. ‘Geen mens zal mij zien en leven’ zegt God in Exodus (33:20). Wie denkt te hebben gevonden, smoort het gebed. Zoals Augustinus bidt in zijn Belijdenissen: ‘liever niet-vindend u vinden dan vindend u niet-vinden’. En zo bidden wij, om met Paulus te spreken, in een spiegel. Oog in oog met de reflectie van onszelf. Voor psychologen blijft het daarbij, maar Paulus gaat verder: Bidden is spreken in het vertrouwen dat ik ‘eens zal kennen, zoals ik zelf gekend ben’ (I Kor. 13:12). Tot dat eens ‘kunnen wij Hem niet zichtbaar maken voor ons, maar wij onszelf wel voor Hem’ schrijft de Joodse denker Abraham Heschel in zijn prachtige boek ‘De betekenis van het gebed in de Joodse gedachtenwereld’. Gebed is je present stellen in het vertrouwen op de Ander aan gene zijde van de spiegel. Ten volle zeggen: ‘Hier ben ik.’

Misschien laat het gebed zich nog het beste vergelijken met een gedicht. Zoals de dichter schrijft in het vertrouwen dat de onbekende adressant zijn of haar meest intieme woorden als ‘waar’ zal erkennen, zo bidden wij onze gebeden de hemel in. Sprekend in het vermoeden, soms het vertrouwen en een enkele keer het zekere weten, dat er iemand hoort. Een Ander je vreemd is, maar jouw woorden toch op waarde weet te schatten. Nogmaals Augustinus: ‘het is immers uw barmhartigheid die ik toespreek, niet een mens die mij uitlacht’.

Het gebed is kwetsbaar, schaamtevol, intiem. Ons antwoord op het leven dat de Ander ons geeft neemt net als de oude gebedsliederen in het boek van de Psalmen alle mogelijke vormen aan: dankbaarheid en klacht, wanhopige schreeuw en diepe stilte, waslijst van verlangens en eeuwenoude hymne. En toch is in al onze gebeden ‘ons hoogste doel niet onszelf tot uitdrukking te brengen, maar onszelf te hechten aan wat groter is dan onszelf’.

Zo bevragen wij al antwoordend het wonder van het gegeven leven en leren we ons zelf te vinden.

Dit gebedenboek verschijnt 25 augustus 2020 en is onder andere te bestellen bij Boekhandel Venstra.